Elke dag rijd ik 100 kilometer met de auto. 50 kilometer naar het werk en 50 kilometer terug. Het traject Leuven – Rustig Kempendorp verloopt vlotjes. De omgekeerde route ’s ochtends net iets minder. Vanaf Aarschot zit de een-rijstrook-te-weinig-tellende E314 strop. Je kan je daar ongelooflijk aan storen. Je kas opfreten als de zoveelste chauffeur die je laat invoegen, je niet bedankt.
Zo was ik. Maar ik heb de manier gevonden om helemaal zen door de file te gaan. Ik maak er een spelletje van. Hoe? Door elke ochtend zoveel mogelijk ‘vriendelijke mensen’ te verzamelen. De automobilisten heb ik al lang opgegeven. Maar de motorrijders, die vind ik leuk. Slalommend tussen de bumperschuivende auto’s proberen zij veilig hun eindbestemming te bereiken. Zie ik ze in mijn achteruitkijkspiegel naderen, dan ga ik zoveel mogelijk aan de kant. Zodat ze toch een klein stukje onbezorgd rechtdoor kunnen rijden. Dan even wachten en … ja daar is het uitgestoken voetje. Een prachtige bedanking vind ik dat. En het maakt m’n dag goed. Glunderend zit ik achter mijn stuur, klaar om de volgende tweewieler te spotten.
Vorige week beleefde ik het summum der file-evaringen. Beter dan 10 motorvoetjes na elkaar. Ik remde een beetje af om een grote vrachtwagen te laten invoegen. In ruil kreeg ik de beruchte truckers-groet. Pinkertje links -pinkertje rechts. Wauw! Ik ben weer even filebestendig.
Merci, mijnheer de trucker. Merci!
Ha fijn! Ik doe exact hetzelfde